Kan je kind al goed hoofdrekenen met splitsingen en strategieën? Dan zijn deze handige trucs perfect om nog sneller te kunnen rekenen! Deze trucjes helpen vooral kinderen vanaf het vierde leerjaar (groep 6) die al vlot kunnen vermenigvuldigen en delen.
Wil je eerst weten hoe basis hoofdrekenen werkt en welke strategieën je kind kan leren? Lees dan ons uitgebreide artikel over hoofdrekenen.
Rekenen met 10, 100 en 1000
Getallen zoals 10, 100 en 1000 komen vaak voor bij vermenigvuldigen en delen. Voor deze getallen bestaan hele eenvoudige trucjes die je kind kan leren.
Vermenigvuldigen met natuurlijke getallen (10, 100 en 1000)
Bij vermenigvuldigen met deze getallen hoef je niet moeilijk te rekenen. Je gebruikt een simpel patroon:
- × 10: Plaats één nul achter het getal
- Voorbeeld: 35 × 10 = 350
- × 100: Plaats twee nullen achter het getal
- Voorbeeld: 35 × 100 = 3500
- × 1000: Plaats drie nullen achter het getal


Delen met natuurlijke getallen (10, 100 en 1000)
Bij delen door deze getallen is het trucje net zo eenvoudig:
- :÷ 10: Schrap één nul bij het deeltal
- Voorbeeld: 70 ÷ 10 = 7
- ÷ 100: Schrap twee nullen bij het deeltal
- Voorbeeld: 700 ÷ 100 = 7
- ÷ 1000: Schrap drie nullen bij het deeltal
- Voorbeeld: 7000 ÷ 1000 = 7
Rekenen met kommagetallen (voor groep 7-8)
In het vijfde en zesde leerjaar (groep 7 en 8) leren kinderen ook rekenen met kommagetallen. Ook hier zijn handige trucjes voor.
Vermenigvuldigen met kommagetallen
Bij kommagetallen verplaats je de komma in plaats van nullen toe te voegen:
- × 10: Verplaats de komma één sprong naar rechts
- Voorbeeld: 6,5 × 10 = 65
- × 100: Verplaats de komma twee sprongen naar rechts
- Voorbeeld: 75,80 × 100 = 7580


Delen met kommagetallen
Bij delen verplaats je de komma naar links:
- ÷ 10: Verplaats de komma één sprong naar links
- Voorbeeld: 65,7 ÷ 10 = 6,57
- ÷ 100: Verplaats de komma twee sprongen naar links
- Voorbeeld: 65,7 ÷ 100 = 0,657
- ÷ 1000: Verplaats de komma drie sprongen naar links
- Voorbeeld: 65,7 ÷ 1000 = 0,0657


Rekenen met 25 en 50
Vermenigvuldigen en delen met 25 en 50 lijkt moeilijk, maar met deze trucjes wordt het heel eenvoudig. In plaats van splitsen en in verschillende stappen rekenen, gebruik je een snelle omweg via 100.
Vermenigvuldigen met 25 en 50
Bij deze getallen vermenigvuldig je eerst met 100 en deel je dan:
- × 25 = × 100 ÷ 4
- Voorbeeld: 6 × 25 = (6 × 100) ÷ 4 = 600 ÷ 4 = 150
- × 50 = × 100 ÷ 2
- Voorbeeld: 6 × 50 = (6 × 100) ÷ 2 = 600 ÷ 2 = 300
Delen door 25 en 50
Bij delen gebruik je het omgekeerde: eerst delen door 100, dan vermenigvuldigen:
- ÷ 25 = ÷ 100 × 4
- Voorbeeld: 3200 ÷ 25 = (3200 ÷ 100) × 4 = 32 × 4 = 128
- ÷ 50 = ÷ 100 × 2
- Voorbeeld: 3200 ÷ 50 = (3200 ÷ 100) × 2 = 32 × 2 = 64
Oefen deze trucjes thuis
Deze trucjes maken hoofdrekenen met grotere getallen veel sneller en makkelijker. Oefen ze regelmatig met je kind tot ze automatisch gaan. Begin met de trucjes voor 10, 100 en 1000, want die zijn het makkelijkst. Als die goed gaan, kun je de trucjes voor 25 en 50 oefenen.
Wil je meer tips over hoe je kind beter kan leren hoofdrekenen? Lees ons uitgebreide artikel met strategieën en oefeningen.


