Wat is aftrekken (en waarom is het moeilijker dan optellen)?

“Tien min vier is… eén, twee, drie, vier, vijf, zes!” telt je kind, en het komt op zes. Of je ziet dat je kind bij 12−5 alle vingers gebruikt en toch in de war raakt. Herkenbaar? Dan merk je dat aftrekken voor je kind lastiger is dan optellen. En dat is heel normaal: aftrekken vraagt om anders te denken dan erbij doen.

Aftrekken is de tweede rekenbewerking die kinderen leren, meestal in het eerste en tweede leerjaar (groep 3 en 4). Het lijkt op het eerste gezicht simpel, maar er komt meer bij kijken dan bij optellen. In dit artikel lees je wat aftrekken betekent, waarom het moeilijker is dan optellen, hoe het zich ontwikkelt en wat je thuis kunt doen om je kind te helpen.

Wat betekent aftrekken eigenlijk?

Aftrekken betekent iets weghalen uit een grotere hoeveelheid. Als je acht koekjes hebt en je eet er drie op, houden vijf koekjes over. In getallen schrijf je dit als 8−3=5. Het minteken ‘−’ betekent ‘weghalen’ of ‘eraf’ en het is-gelijkteken ‘=’ betekent ‘blijft over’ of ‘is’.

Op school komen ouders aftrekken tegen vanaf het eerste leerjaar, kort na optellen. Kinderen beginnen met kleine getallen en concrete materialen: blokjes weghalen, vingers ombuigen. Later leren ze strategieën om sneller te rekenen zonder alles te visualiseren. In rapporten lees je soms: “Je kind vindt aftrekken nog lastig” of “Je kind maakt veel fouten bij aftrekken.”

Een eenvoudig voorbeeld: bij de som 7−3 legt een kind zeven blokjes neer en haalt er drie weg. Het telt wat overblijft: vier. Later leert het kind achteruit tellen vanaf zeven: “Zes, vijf, vier.” En nog later ziet het meteen het antwoord, omdat het de som uit het hoofd kent.

Waarom is aftrekken moeilijker dan optellen?

Aftrekken is voor de meeste kinderen lastiger dan optellen, en daar zijn goede redenen voor:

Aftrekken is abstracter. Bij optellen zie je meer worden: drie blokjes erbij doen is zichtbaar. Bij aftrekken haal je iets weg dat er daarna niet meer is. Je moet onthouden wat er was voordat je het weghaalde. Dit vraagt meer van het geheugen en de voorstelling.

Je moet achteruit denken. Bij optellen tel je vooruit, wat natuurlijk aanvoelt. Bij aftrekken moet je achteruit tellen of redeneren, wat minder vanzelfsprekend is. Kinderen moeten een nieuwe denkrichting leren.

Er zijn verschillende betekenissen. Aftrekken kan betekenen: weghalen (ik had acht koekjes en at er drie op), verschil (hoeveel meer heeft Jan dan Piet?), of aanvullen (hoeveel moet erbij om van drie naar acht te komen?). Deze verschillende betekenissen maken aftrekken verwarrend.

Fouten zijn makkelijker te maken. Bij 12−5 tellen kinderen soms vanaf twaalf vijf stappen terug, maar vergeten bij welk getal ze begonnen of verliezen de tel. Bij optellen kun je altijd opnieuw tellen, maar bij aftrekken moet je onthouden wat je al hebt weggehaald.

Toch is aftrekken een belangrijke vaardigheid. Zonder aftrekken kan je kind geen vraagstukken oplossen, geen verschil berekenen en later niet delen (want delen is herhaald aftrekken).

Hoe ontwikkelt aftrekken zich?

Aftrekken ontwikkelt zich stap voor stap. Kinderen beginnen met concreet weghalen en groeien naar strategisch hoofdrekenen.

Kleuterklas: eerste ervaringen met ‘weghalen’

In de kleuterklas maken kinderen al kennis met aftrekken in het dagelijks leven. “Ik had vijf snoepjes en ik heb er twee opgegeten. Nu heb ik er nog drie!” Ze leren dat weghalen betekent dat het minder wordt. Dit is de basis voor later formeel aftrekken.

Eerste leerjaar (groep 3): aftrekken tot twintig

In het eerste leerjaar leren kinderen formeel aftrekken tot twintig. Ze beginnen met concreet weghalen: bij 6−2 leggen ze zes blokjes neer en halen er twee weg. Ze tellen wat overblijft: vier. Ze gebruiken hun vingers, blokjes of tekeningen.

Geleidelijk leren ze achteruit tellen: bij 6−2 beginnen ze bij zes en tellen terug: “Vijf, vier.” Dit is moeilijker dan vooruit tellen en vergt extra oefening. Sommige kinderen vinden dit zo lastig dat ze blijven weghalen met materiaal.

Ze oefenen ook met het verband tussen optellen en aftrekken: als 3+4=7, dan is 7−4=3. Dit helpt om aftrekken te begrijpen als de omgekeerde bewerking van optellen.

Tweede leerjaar (groep 4): aftrekken tot honderd

Kinderen breiden hun aftrekvaardigheden uit tot honderd. Ze leren handig aftrekken door gebruik te maken van tientallen. Bij 45−20 zien ze dat ze gewoon twee tientallen eraf halen: 25. Ze hoeven niet alles te tellen.

Ze leren ook over de tien heen aftrekken: bij 13−5 halen ze eerst drie weg tot tien, dan nog twee: (13−3)-2=10-2=8. Deze strategie maakt aftrekken overzichtelijker.

Ze beginnen sommen te automatiseren: kleine aftrekkingen tot twintig kennen ze uit het hoofd. 10−3=7 hoeven ze niet meer te berekenen, ze weten het gewoon. Dit maakt rekenen vlotter.

Derde leerjaar (groep 5): strategisch aftrekken

In het derde leerjaar leren kinderen strategisch aftrekken met grotere getallen. Ze kunnen 234−127 uitrekenen door slim te splitsen of door onder elkaar te zetten met lenen. Ze leren dat je soms moet lenen: bij 42−17 is de twee te klein om zeven eraf te halen, dus leen je één tiental.

Ze kunnen ook aftrekken gebruiken om verschil te berekenen: hoeveel verschil zit tussen 53 en 28? Ze leren dit op te lossen door op te tellen of door af te trekken, afhankelijk van wat handiger is.

Vierde tot zesde leerjaar (groep 6-8): verfijning en toepassing

In de hogere leerjaren passen kinderen aftrekken toe bij ingewikkelde vraagstukken, bij breuken en bij kommagetallen. Het principe blijft hetzelfde, maar de getallen worden abstracter. Ze gebruiken aftrekken ook bij delen en bij het oplossen van vergelijkingen.

Hoe merk je dit bij je kind?

Je merkt de ontwikkeling van aftrekken aan verschillende dingen:

  • Je kind kan kleine sommen oplossen met materiaal. Het haalt blokjes weg en telt wat overblijft. Het begrijpt wat ‘weghalen’ betekent.
  • Je kind kan achteruit tellen. Bij 8−3 begint het bij acht en telt terug: “Zeven, zes, vijf.” Dit is een belangrijke stap naar vlotter aftrekken.
  • Je kind gebruikt handige strategieën. Bij 14−5 haalt het eerst vier weg tot tien, dan nog één: (14−4)-1=10−1=9. Of bij 40−20 ziet het meteen dat dit twintig is.
  • Je kind kent kleine sommen uit het hoofd. Sommen tot twintig hoeft het niet meer te berekenen. Het weet meteen dat 10−3=7 of dat 15−8=7. Dit heet automatiseren.
  • Je kind snapt het verband tussen optellen en aftrekken. Het begrijpt dat als 5+3=8, dan is 8−3=5. Dit helpt om aftrekken te controleren.
  • Je kind gebruikt aftrekken in het dagelijks leven. Het rekent uit hoeveel geld overblijft na een aankoop, hoeveel tijd nog rest voor het slapen gaan, of hoeveel kinderen er zijn vertrokken.

Normaal of zorgelijk?

Aftrekken ontwikkelt zich vooral in het eerste en tweede leerjaar (groep 3 en 4). Het is normaal dat dit langer duurt dan optellen. Sommige kinderen hebben tot het derde leerjaar (groep 5) tijd nodig om aftrekken goed te automatiseren. Blijft je kind heel veel fouten maken of raakt het angstig bij aftrekkingen, bespreek dit dan met de leerkracht.

Wat kun je thuis doen?

Aftrekken oefen je het best met eenvoudige materialen en dagelijkse situaties. Hier zijn tips die je makkelijk kunt gebruiken:

  1. Gebruik concrete voorwerpen om weg te halen
    Begin altijd met dingen die je kind kan zien en aanraken. Leg acht blokjes neer en haal er drie weg. Vraag: “Hoeveel blijven er over?” Dit maakt aftrekken tastbaar. Laat je kind zelf weghalen, zodat het de handeling voelt.
  2. Oefen achteruit tellen
    Dit is lastig maar belangrijk. Begin bij kleine getallen: “Tien, negen, acht, zeven…” Oefen dit als een spelletje, bijvoorbeeld bij een raketlancering: “Tien, negen, acht… drie, twee, één, START!” Maak het leuk en herhaal regelmatig.
  3. Gebruik vingers bewust
    Laat je kind bij aftrekken ook vingers gebruiken. Houd bijvoorbeeld zeven vingers omhoog en buig er drie om. Tel de vingers die nog overeind staan. Dit geeft een visuele en tastbare ondersteuning.
  4. Maak het verband met optellen duidelijk
    Laat zien dat aftrekken de omgekeerde bewerking is van optellen. Als 4+3=7, dan is 7−3=4. Oefen dit met concrete materialen: leg vier blokjes neer, voeg er drie bij, haal ze weer weg. Dit helpt je kind de verbinding te zien.
  5. Oefen over de tien heen aftrekken
    Dit is een belangrijke stap. Bij 13−5 haal je eerst drie weg tot tien, dan nog twee: (13−3)-2=10−2=8. Gebruik een rekenrek of getallenlijn om dit visueel te maken. Oefen dit geduldig, want het is abstract.
  6. Trek samen af in alledaagse momenten
    Reken tijdens het eten: “We hadden twaalf aardappels, we hebben er acht opgegeten. Hoeveel zijn er over?” Of bij het spelen: “Je had vijftien punten, je verliest er drie. Hoeveel heb je nog?” Dit maakt aftrekken betekenisvol.
  7. Speel aftrekspelletjes
    Gebruik dobbelstenen: gooi één keer en trek dat aantal af van twintig. Wie het eerst bij nul komt? Of speel kaartspelletjes: begin bij dertig en trek telkens een kaart af. Maak er een wedstrijdje van om het leuk te houden.
  8. Oefen automatiseren met flashcards
    Als je kind de basis snapt, help het dan om sommen te onthouden. Maak kaartjes met sommen aan de ene kant (zoals 9−4) en antwoorden aan de andere kant (5). Oefen kort maar regelmatig: vijf minuten per dag helpt meer dan af en toe een lang blok.
  9. Gebruik de getallenlijn voor achteruit springen
    Teken een lijn met getallen van 0 tot 20. Bij 12−5 begint je kind bij 12 en springt vijf plaatsen terug naar 7. Dit maakt aftrekken visueel en helpt vooral bij achteruit tellen.
  10. Vier vooruitgang en wees geduldig
    Aftrekken is moeilijk. Vier wat goed gaat: “Je hebt niet meer alles hoeven terug te tellen, goed gedaan!” Wees geduldig bij fouten en leg rustig uit wat er fout ging. Stress maakt aftrekken alleen maar lastiger.

Wanneer extra hulp nodig is

Bij de meeste kinderen groeit aftrekken met regelmatige oefening, al duurt het langer dan optellen. Toch zijn er signalen die laten zien dat extra hulp nuttig kan zijn:

  • Je kind blijft alles concreet door elkaar halen. Ook na veel oefening kan het niet achteruit tellen of strategieën gebruiken. Het raakt verdwaald bij elke som.
  • Je kind maakt veel fouten bij achteruit tellen. Het slaat getallen over, raakt de tel kwijt of komt op rare antwoorden. Het mist de basis van nauwkeurig achteruit tellen.
  • Je kind begrijpt niet wat aftrekken betekent. Ook met concrete materialen blijft onduidelijk wat ‘weghalen’ inhoudt. Het ziet geen verband tussen de handeling en het resultaat.
  • Je kind raakt angstig of gefrustreerd bij aftrekken. Het vermijdt aftrekkingen, raakt gestrest of zegt: “Ik snap aftrekken niet” of “Aftrekken is te moeilijk.”
  • Je kind kan geen sommen automatiseren. Ook na maanden oefenen moet het bij 7−2 nog steeds alles uitrekenen. Sommen blijven onbekend en moeilijk.

Als je deze signalen ziet, bespreek dit dan met de leerkracht. Samen kunnen jullie bekijken of extra begeleiding door een zorgleerkracht helpt. Sommige kinderen hebben meer concrete ervaring nodig met weghalen en achteruit tellen. Vroeg ingrijpen helpt om rekenangst te voorkomen.

Veelgestelde vragen

Waarom vindt mijn kind aftrekken zo veel moeilijker dan optellen?

Dat is heel normaal. Aftrekken vraagt om achteruit denken, wat minder natuurlijk aanvoelt dan vooruit tellen. Ook is aftrekken abstracter: je haalt iets weg dat er daarna niet meer is. Dit vraagt meer van het geheugen en voorstellingsvermogen. Geef je kind tijd en blijf oefenen met concrete materialen.

Wanneer moet mijn kind aftrekken kunnen?

Dit zijn vuistregels:

  • Eerste leerjaar (groep 3): aftrekken tot twintig met vingers en materiaal
  • Tweede leerjaar (groep 4): aftrekken tot honderd, kleine sommen uit het hoofd
  • Derde leerjaar (groep 5): vlot aftrekken met strategieën, automatisering

Elk kind heeft zijn eigen tempo. Het is normaal dat aftrekken langer duurt dan optellen.

Moet ik aftrekken anders oefenen dan optellen?

Ja, een beetje. Bij aftrekken is het extra belangrijk om met concreet materiaal te werken en achteruit tellen te oefenen. Ook helpt het om het verband met optellen te benadrukken: als je kind snapt dat 5+3=8, dan begrijpt het makkelijker dat 8−3=5. Gebruik meer tijd en geduld bij aftrekken.

Mijn kind telt alles nog op zijn vingers. Is dat erg?

Nee, niet in het begin. Vingers zijn een prima hulpmiddel. Maar als je kind lang blijft steken in tellen op vingers zonder andere strategieën te ontwikkelen, kan dit een signaal zijn dat het moeite heeft met aftrekken. Oefen dan extra met achteruit tellen en het verband met optellen. Als het blijft vastlopen, bespreek dit met de leerkracht.

Aftrekken groeit door oefenen en geduld

Aftrekken groeit door steeds opnieuw te oefenen met concrete materialen, achteruit tellen en strategieën uitproberen. Gebruik eenvoudige voorwerpen en alledaagse momenten. Vier vooruitgang en wees geduldig bij fouten. Vertrouw erop dat vaardigheden groeien, ook al duurt het langer dan bij optellen. Met blokjes, vingers, spelletjes en positieve aandacht leg je een stevig fundament voor alle rekenvaardigheden die komen.

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Betere punten scoren op de volgende toets?
Gratis oefen werkbladen

Download gratis onze werkbladen en start vandaag nog met het oefenen voor de volgende toets.